ZIJ VERGIFTIGDE HAAR MAN VOOR ZIJN €82 MILJOEN

Deel 3 — Sanne

Bram ging pas om drie uur 's nachts naar huis.

Niet omdat zijn dienst toen eindigde.

Die was al om elf uur geëindigd.

Maar omdat hij niet weg durfde zolang Demi toegang probeerde te krijgen tot Richard.

Hij reed op een tweedehands fiets door de regen naar Rotterdam-Zuid, naar een portiekwoning op de derde verdieping zonder lift.

Zijn moeder sliep op de bank.

Niet echt.

Mensen die wachten op medisch nieuws slapen altijd met één oor open.

Zijn zusje Sanne lag in de slaapkamer, dun, bleek en met een zuurstofslangetje dat te groot leek voor haar gezicht.

Bram bleef in de deuropening staan.

Sanne opende haar ogen.

"Je bent laat."

"Jij moet slapen."

"Ik ben veertien. Ik moet dramatisch wakker liggen."

Hij lachte zacht.

Toen ging hij naast haar zitten.

Sanne kende zijn gezicht beter dan iedereen.

"Wat is er?"

"Er is misschien... een kans."

"Voor wat?"

Hij slikte.

"Voor je operatie."

Sanne keek hem strak aan.

"Bram."

"Ik meen het."

"Je hebt geen domme dingen gedaan, hè?"

Daar was het weer.

Iedereen die Bram liefhad, vroeg dat eerst.

Omdat armoede mensen leert dat grote kansen bijna altijd ergens tanden hebben.

"Nee," zei hij snel. "Ik zweer het."

Hij vertelde niet alles.

Niet de opname.

Niet de vrouw die haar man ziek maakte.

Niet het testament.

Wel dat een patiënt met veel geld een fonds had geregeld.

Dat er een advocaat was.

Dat er misschien betaald kon worden.

Zijn moeder, die inmiddels in de deuropening stond, begon te huilen voordat hij klaar was.

"Wie betaalt zomaar twee komma vier miljoen?" fluisterde zij.

Bram dacht aan Richard, half dood in bed.

Aan Demi’s stem.

Aan Alexander die zei dat hij beschermd moest worden tegen het geld dat hem moest redden.

"Niet zomaar," zei hij. "Maar misschien iemand die niet wil dat zijn geld naar slechte mensen gaat."

Sanne keek hem aan.

"Ben ik dan een goed mens?"

Bram pakte haar hand.

"Jij bent irritant, koppig en steelt mijn oordopjes."

"Maar goed?"

"De beste."

Ze glimlachte.

Heel klein.

Alsof zelfs hoop energie kostte.


De volgende ochtend stond Alexander bij hen op de stoep.

Geen chauffeur.

Geen assistent.

Alleen hij, met twee mappen, een paraplu en een gezicht dat geen ruimte liet voor onzin.

Brams moeder, Marian, liet hem binnen en verontschuldigde zich drie keer voor de rommel.

Alexander zei:

"Mevrouw, ik heb vannacht een testament gewijzigd in een ziekenhuis terwijl een vermoedelijke vergiftigingszaak ontstond. Uw wasmand is vandaag niet mijn grootste indruk."

Marian wist niet of ze moest lachen of huilen.

Ze deed beide een beetje.

Alexander ging aan de keukentafel zitten.

"Bram, Sanne, mevrouw Verhoeven. Ik ga helder zijn. Richard van der Veen heeft een medische noodvoorziening ingesteld. Sanne’s operatie en alle daarmee samenhangende zorg worden gefinancierd via een onafhankelijke stichting. Bram krijgt geen contant geld in handen. U ook niet. Dit beschermt u."

Marian knikte onmiddellijk.

"Prima. Als zij maar geholpen wordt."

Sanne keek wantrouwend.

"En waarom?"

Alexander keek naar haar.

"Omdat Richard vindt dat zijn vermogen anders terechtkomt bij iemand die hem kwaad heeft gedaan."

"Dat is geen antwoord waarom ik," zei Sanne.

Alexander leunde iets achterover.

"Je broer heeft geweigerd iets illegaals te doen voor een stervende multimiljonair. Dat is in mijn ervaring zeldzamer dan geld."

Sanne keek naar Bram.

"Heb je echt nee gezegd tegen iets illegaals?"

"Ja."

"Goed zo. Je zou toch slecht zijn in misdaad."

"Bedankt."

"Je kunt niet eens liegen over wie de pindakaas opmaakt."

Marian huilde nu echt.

Alexander liet het even gebeuren.

Daarna legde hij de papieren neer.

"De operatie wordt vandaag aangevraagd. De specialistische kliniek in Zürich heeft een wachtrij, maar met volledige financiering, urgente medische indicatie en de juiste verwijzing kan het snel gaan."

"Hoe snel?" fluisterde Marian.

"Als alles meezit: binnen tien dagen."

Sanne sloot haar ogen.

Tien dagen.

Voor Richard waren vijf dagen een doodsvonnis.

Voor Sanne konden tien dagen leven betekenen.


In het Erasmus MC veranderde Richard intussen van stervende patiënt in beveiligde getuige.

Hij wist dat niet officieel.

Maar zo voelde het.

Er kwam een agent op de gang.

Daarna twee.

Zijn dossier werd afgeschermd.

Demi mocht niet meer alleen naar binnen.

Zij ontplofte.

Elegant.

Maar ontplofte.

"Ik ben zijn vrouw!"

Dokter Noor antwoordde:

"En medisch gezien niet langer toegelaten zonder toezicht."

"Op wiens gezag?"

"Het mijne."

"U kunt dit niet maken."

"Ik maak het al."

Demi keek naar de agent.

"Dit is absurd. Richard is verward. Hij zal mij willen zien."

Vanuit zijn bed hoorde Richard haar stem.

Vroeger had hij zich schuldig gevoeld als Demi zo klonk.

Nu voelde hij vooral uitputting.

Hoeveel jaren had hij zijn eigen ongemak verward met bewijs van liefde?

Hoe vaak had Demi hem pijn gedaan en daarna gedaan alsof zijn reactie het probleem was?

Hij dacht aan het eerste jaar van hun huwelijk.

Haar hand op zijn arm tijdens gala’s.

Haar lach.

Haar zachte stem wanneer ze zei dat hij te hard werkte.

Toen aan het tweede jaar.

De opmerkingen.

Dat hij ouder leek.

Dat zijn pakken ouderwets waren.

Dat zijn dochterloze bestaan "praktisch" was, omdat kinderen alleen maar erfdrama gaven.

Richard had geen kinderen.

Niet omdat hij ze nooit had gewild.

Zijn eerste vrouw, Elise, was overleden voordat zij eraan begonnen. Daarna had hij zichzelf begraven in werk. Demi kwam jaren later in zijn leven als licht, dacht hij.

Nu zag hij dat licht soms gewoon een lamp boven een operatietafel kan zijn.

Helder.

Koud.

Bedoeld om te snijden.


Dokter Noor bracht hem in de middag de eerste uitslagen.

"Er zijn afwijkingen in uw bloedwaarden die passen bij langdurige toediening van een middel dat uw hartfunctie kan beïnvloeden. Ik ga geen definitieve conclusies trekken vóór alle analyses terug zijn, maar Richard..."

Ze stopte.

Dat was de eerste keer dat zij zijn voornaam gebruikte.

"Het verhaal van uw vrouw is medisch niet ongeloofwaardig."

Hij sloot zijn ogen.

"Kan de schade herstellen?"

"Een deel misschien. Niet alles. Maar als we de blootstelling stoppen en gericht behandelen, is vijf dagen niet langer mijn verwachting."

Richard voelde zijn keel dichtgaan.

"Hoe lang dan?"

"Dat weet ik niet. Weken. Maanden. Misschien langer. U bent ernstig ziek, maar u bent niet noodzakelijk stervend op de termijn die vanochtend werd genoemd."

Hij draaide zijn hoofd weg.

Niet omdat hij ondankbaar was.

Omdat hoop soms harder binnenkomt dan wanhoop.

Wanhoop heeft tenminste één richting.

Hoop opent alle deuren tegelijk en vraagt je welke je durft te nemen.

"Ik had haar bijna laten winnen," fluisterde hij.

Noor zei:

"Nee. U hebt geluisterd toen u haar hoorde."

"Ik kon niets doen."

"U deed genoeg om Bram te roepen."

Hij dacht aan de jongen.

Aan zijn magere gezicht.

Aan de manier waarop hij zei: ik doe niets illegaals.

"Zorg dat zijn zus gered wordt."

"Dat is al in gang gezet."

"Goed."

Richard sloot zijn ogen.

"Dan heb ik vandaag voor het eerst in jaren iets verstandigs gedaan."


Demi bleef niet stilzitten.

Zij bezocht Gerard die avond in zijn appartement in Rotterdam.

Dat wist Alexander dankzij een privédetective die hij al jaren gebruikte bij bedrijfsovernames en nu zonder gêne inzette.

Niet om overspel te bewijzen.

Overspel was in dit verhaal bijna het minst interessante misdrijf.

Maar om vermogensbewegingen vast te leggen.

Gerard had schulden.

Veel schulden.

Zijn vastgoedproject aan de Maas was geflopt. Zijn bv’s leken op gestapelde lege dozen. Hij had nog één plan: Demi erfde Richard. Demi investeerde. Gerard herrees.

Demi was geen geliefde.

Zij was financieringsroute.

Die nacht werd vastgelegd dat Gerard en Demi een notaris in Spanje belden over een woning op Ibiza. Daarna belden ze een bankcontact over "liquiditeit na nalatenschap". Daarna probeerde Gerard een voorschot te regelen op toekomstige verkoop van Van der Veen-aandelen.

Toekomstig.

Omdat Richard nog leefde.

Sommige mensen kunnen zelfs een ademende man al in financiële verleden tijd zetten.


De volgende dag werd Demi gearresteerd.

Niet in het ziekenhuis.

Dat had Alexander zo gewild.

Niet bij Richards bed.

Niet waar zij nog één laatste scène kon maken als huilende echtgenote.

Ze werd opgepakt in de parkeergarage van het hotel, naast haar lease-Maserati, met haar Louis Vuitton-koffer half in de achterbak.

Zij droeg een beige mantelpak en een zonnebril, hoewel de garage ondergronds was.

Twee rechercheurs stapten naar haar toe.

"Demi van der Veen?"

"Ja?"

"U bent aangehouden op verdenking van poging tot moord dan wel zware mishandeling met voorbedachten rade, opzettelijke benadeling van een hulpbehoevende echtgenoot, en vermogensdelicten. U hebt het recht te zwijgen."

Demi lachte.

Ze dacht werkelijk dat het een vergissing was.

Tot één rechercheur haar pols pakte.

"Dit is belachelijk. Mijn man ligt op sterven."

"Dat weten we," zei de rechercheur. "Daarom zijn we hier."

Haar gezicht trok strak.

"Wie heeft gelogen?"

Niemand antwoordde.

Maar ergens boven, in een beveiligde ziekenhuiskamer, opende Richard zijn ogen toen Alexander het nieuws vertelde.

"Ze is aangehouden."

Richard keek naar het plafond.

Hij voelde geen vreugde.

Alleen een vreemde leegte.

Alsof iemand een tumor uit zijn leven had gesneden, maar de narcose nog niet wist of zij mocht uitwerken.

"En Gerard?"

Alexander glimlachte nauwelijks.

"Die denkt nog dat hij slim is."