“Mijn oma zou zeggen: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.”
“Mijn oma zei altijd dat mijn naam niet bij mijn achternaam paste.”
“Kijk. We hebben nu al oma’s gemeen.”
Voor het eerst in lange tijd ging Emilia naar huis zonder na een date alvast een gezamenlijke naam in haar hoofd uit te proberen.
Dat was waarschijnlijk gezond.
Ze zagen elkaar opnieuw. En daarna nog eens.
Niels werkte als servicemonteur voor gebouwinstallaties. Geen baan waar Emilia vroeger tijdens een eerste afspraak bijzonder opgewonden van zou zijn geraakt. Hij kon er wel zo enthousiast over vertellen dat ze na een paar weken wist waarom een warmtepomp soms klinkt alsof er een koelkast in de muur woont.
Hij woonde alleen in een bescheiden appartement in Lombok. Niet groot, wel van hem. In zijn keukenkast stond geen designservies maar alles stond tenminste in een kast.
De eerste keer dat Emilia bij hem bleef slapen, werd ze wakker van een draaiende wasmachine.
Ze liep de keuken in.
Niels stond koffie te zetten.
“Wat doe jij?” vroeg ze.
“Koffie.”
“Nee, dat geluid.”
“Was.”
“Van wie?”
Hij keek haar aan.
“Van de koning. Hij brengt het iedere donderdag.”
Emilia trok de deur van de machine open toen het programma klaar was.
Sokken.
Gewoon zijn eigen sokken.
Ze begon zo hard te lachen dat Niels dacht dat er iets mis was.
“Je moest erbij zijn,” zei ze.
Een paar maanden later vroeg hij of ze samen wilden wonen. Alleen ging het anders dan de keren ervoor.
Hij pakte geen sporttas om zich bij haar in te nestelen.
Hij legde een notitieblok op tafel.
“Mijn appartement heeft een extra kamer. Jouw flat is gunstiger om te verhuren. Als jij hierheen wilt, rekenen we eerst uit wat eerlijk is.”
Emilia staarde naar hem.
“Wat?” vroeg Niels.
“Niks. Ga door.”
Ze maakten een lijst.
Hypotheek en vaste lasten. Boodschappen. Internet. Verzekeringen. Een gezamenlijke rekening voor huishouden. Wie welke meubels meenam. Wat ze deden als het niet werkte.
Dat laatste vond Emilia eerst ongezellig.
Niels niet.
“Juist als we van elkaar houden moet niemand financieel vastzitten omdat we een romantisch idee hadden.”
Het was één van de minst romantische zinnen die iemand ooit tegen haar had gezegd.
Ze vond hem heerlijk.
Samenwonen bleek nog steeds niet uitsluitend uit wijn, seks en pizza te bestaan. Niels liet gereedschap op de eettafel liggen. Emilia zette kopjes overal behalve in de vaatwasser zodra ze haast had. Hij vond dat handdoeken drie dagen mee konden. Zij vond twee dagen al optimistisch.
Ze maakten ruzie over wie vergeten was vuilniszakken te kopen.
Een keer sliep Niels op de bank omdat Emilia hem zo irritant vond dat zelfs zijn ademhaling haar beledigde.
De volgende ochtend maakte hij koffie en zei:
“Ben je nog kwaad?”
“Ja.”
“Oké. Wil je wel koffie?”
“Ook ja.”
Dat bleek een bruikbaarder fundament dan een passende voornaam.
Oma Truus ontmoette Niels tijdens een zondagse lunch. Emilia verwachtte minstens één opmerking over zijn simpele naam.
Oma keek hem aan, vroeg wat voor werk hij deed en wees daarna naar de keuken.
“Kun jij een vaatwasser inruimen zonder handleiding?”
Niels keek even naar Emilia.
“Dat is een testvraag, hè?”
“Zeker weten.”
“Ja, mevrouw.”
“Dan heb je van mij al meer punten dan die vorige sierpaarden.”
Emilia protesteerde.
“Oma!”