“Voor het vestigen van een recht van hypotheek ten gunste van een kredietverstrekker.”
Mijn maag trok samen, dit keer niet door de baby.
“Heb ik daar toestemming voor gegeven?”
“Nee,” zei de notaris voorzichtig. “Daarom moest u persoonlijk verschijnen. Uw echtgenoot heeft een conceptvolmacht laten opstellen, maar zonder uw handtekening is die ongeldig.”
“Wat voor bedrag?”
“Dat kan ik telefonisch niet inhoudelijk bespreken zonder het dossier te openen, maar het ging om honderdtachtigduizend euro.”
Ik sloot mijn ogen.
“Heeft hij geprobeerd mijn handtekening te gebruiken?”
“Er zat een document bij de aanvraag. Wij hebben het niet als authentiek kunnen vaststellen. Daarom is de afspraak gemaakt.”
De notaris stuurde me het conceptdossier beveiligd toe. De maatschappelijk werker hielp me de bestanden te openen.
Op de laatste pagina stond een handtekening die op de mijne leek.
Maar niet helemaal.
Mijn vader had mij geleerd mijn achternaam met één lange haal te schrijven. De handtekening op het document was hoekig en te langzaam. Maarten had mijn handtekening vaker nagebootst op pakketjes en retourformulieren, altijd lachend omdat hij vond dat ik “veel te moeilijk deed over papierwerk”.
Ik had het toen grappig gevonden.
Nu wist ik niet meer waar ik mijn handen moest laten.
De eerste echte aanwijzing naar zijn plan stond niet in de bankafschriften, maar in een agenda die ik drie weken eerder in de keuken had gevonden. Maarten had hem meteen uit mijn handen getrokken.
“Privé,” had hij gezegd.
Ik had gedacht dat het over zijn bedrijf ging.
Op de dag van de ziekenhuisopname liet de maatschappelijk werker een wijkagent mijn woning controleren. Ik wilde niet alleen naar huis. Niet omdat ik dacht dat Maarten me die avond opnieuw zou aanvallen, maar omdat ik inmiddels begreep dat gevaar niet altijd luid binnenkwam.
Soms had het een sleutel.
De deurbelcamera had vier gemiste meldingen. Twee daarvan waren van Maarten. Eén was van Ria.
De vierde was van een onbekende vrouw.
Ik opende de beelden.
De vrouw stond op maandagavond bij onze voordeur. Ze droeg een zwarte jas en hield een map tegen haar borst. Maarten deed open. Hij keek eerst naar de camera en daarna naar haar.
“Je zou pas volgende week komen,” zei hij.
“Dat was voordat je moeder belde,” antwoordde de vrouw.
Ze stapten naar binnen. De camera nam het geluid helder op.
Ria kwam even later de hal in.
“Ze moet weg zijn voordat de baby er is,” zei ze.
“Dat weet ik,” antwoordde Maarten.
“En als ze niet tekent?”
“Dan wordt ze vanzelf ongeloofwaardig.”
Ik voelde mijn knieën slap worden, maar ik bleef staan.
De vrouw met de map zei: “U moet wel voorzichtig zijn. Een gedwongen opname is geen knop die je zomaar indrukt.”
“Daarom houden we alles bij,” zei Maarten. “Haar uitbarstingen, haar wantrouwen, die huilbuien. Ze is al maanden niet stabiel.”
Ria lachte zacht.
“Ze maakt zelfs ruzie over een babydekentje.”
Ik pauzeerde de video.
De onbekende vrouw bleek een medewerker van een bureau voor beschermingsbewind te zijn. Maarten had haar benaderd met het verhaal dat ik door mijn zwangerschap financieel onverantwoordelijk was geworden en niet meer voor mezelf kon zorgen.
Hij wilde mijn huis als onderpand gebruiken. Als ik weigerde, wilde hij mij als instabiel laten registreren. Zodra ik in het ziekenhuis lag of onder toezicht stond, kon hij via een advocaat proberen controle over mijn financiën en de baby te krijgen.
Het plan was niet impulsief ontstaan.
Het was voorbereid.
De politie nam de beelden in beslag. Henk leverde de camerabeelden uit de winkel aan. Daarop was niet alleen te zien hoe Maarten mij duwde, maar ook wat eraan voorafging.
Hij stond bij de kassa met zijn telefoon aan zijn oor.
“Je krijgt je geld vrijdag,” zei hij. “Mijn vrouw tekent morgen bij de notaris.”
Aan de andere kant van de winkel was de muziek zacht genoeg om de rest te horen.
“Als ze moeilijk doet, ga ik door met het tweede plan. Ze is toch al over haar grens.”
Daarna had hij opgehangen en het dekentje uit mijn handen getrokken.
Ik had hem gevraagd waarom hij zo boos was.
Hij had me aangekeken alsof ik hem een onredelijke vraag stelde.
“Omdat jij nooit nadenkt.”
Toen ik het fragment later bij de politie hoorde, bleef ik roerloos zitten. Agent Van der Meer zette de audio niet opnieuw aan.
“Er is meer,” zei hij.
Hij legde een afschrift op tafel. Niet van mijn rekening, maar van een leningsovereenkomst.
Maarten had vijf maanden eerder een zakelijke lening van €180.000 aangevraagd. Mijn huis stond als zekerheid vermeld. Mijn vervalste handtekening stond onderaan. Daarnaast had hij in een aanvraagformulier geschreven dat ik “door psychische instabiliteit niet langer zelfstandig financiële beslissingen kon nemen”.
De aanvraag was bijna goedgekeurd.
Bijna.
De kredietverstrekker had het dossier doorgestuurd naar de notaris omdat er een hypotheekrecht op de woning moest komen. De notaris had de afwijkende handtekening gezien en de procedure stilgelegd.
Dat was de eerste keer dat Maartens plan tegen een detail was opgebotst.
Niet tegen geweten. Tegen papier.
“Waarom heeft hij dan met mij willen trouwen?” vroeg ik.
Agent Van der Meer keek naar het dossier.
“Uw vader had het huis al aan u nagelaten?”