Ik bleef midden in de gang staan. De naam van mijn vader hing tussen ons in alsof iemand een deur had opengezet naar een kamer waar ik mijn hele leven nooit naar binnen had durven kijken.
“Mijn vader is al twaalf jaar dood.”
Maarten knikte.
“Ik weet het.”
“Wat heeft Richard precies gezegd?”
“Alleen zijn achternaam. Daarna probeerde hij iets te zeggen, maar zijn ademhaling verslechterde.”
Ik liep onmiddellijk naar de intensive care.
Pieter volgde me.
“Althea, wacht.”
Ik draaide me om.
“Niet nu.”
“Je moet eerst begrijpen dat—”
“Dat jouw vader mijn vader kende? Dat wist ik al. Dat hij documenten over mijn geboorte heeft bewaard, wist ik ook. Wat ik nog niet weet, is waarom jij blijkbaar al maanden informatie over mij verzamelt zonder mij ook maar één keer de waarheid te vertellen.”
Pieter keek me recht aan.
“Ik heb geprobeerd uit te zoeken wie mijn vader beschermde.”
“Beschermde?”
“Ja.”
“Wie?”
Hij aarzelde.
“Jouw vader.”
Mijn adem stokte.
“Waarom zou jouw vader mijn vader beschermen?”
“Omdat ze ooit samen iets hebben gedaan.”
“Wat?”
Pieter keek naar de deur van Richards kamer.
“Ik weet het niet precies.”
“Dat is inmiddels geen antwoord meer.”
Hij wreef met zijn hand over zijn gezicht.
“Mijn vader heeft me verteld dat jouw vader hem ooit heeft geholpen een fout uit het verleden te verbergen.”
“Welke fout?”
“Hij wilde het me niet vertellen.”
“En jij vond het verstandig om dan met mijn beste vriendin te trouwen?”
Zijn ogen vulden zich met schuld.
“Charlotte wist van een deel van het verhaal.”
“En daarom trouwde je met haar?”
“Richard wilde dat ik met haar trouwde omdat haar familie toegang had tot documenten die ons konden beschermen.”
Ik staarde hem aan.
“Ons?”
“Jou.”
Dat ene woord raakte me harder dan ik verwachtte.
Ik wilde hem geloven.
Dat was het ergste.
Want ergens onder alle woede zat nog steeds de vrouw die vrijdagavond had gelachen toen hij zei dat hij graag naar haar keek. De vrouw die dacht dat ze over een paar weken trouwjurken zou passen. De vrouw die niet wist dat haar verloofde op dezelfde dag al een andere vrouw tot zijn echtgenote had gemaakt.
Ik draaide me om.
“Ik ga naar Richard.”
In zijn kamer knipperden de monitoren onrustig. Richard lag bleek onder het witte laken, zijn gezicht bijna onherkenbaar na de urenlange operatie. Zijn ogen waren halfopen.
Toen hij mij zag, bewoog hij zijn hand.
Ik liep naar hem toe.
“Richard.”
Zijn vingers bewogen zwak over het laken.
“Althea…”
Zijn stem was nauwelijks meer dan lucht.
“Ik ben hier.”
Hij keek achter mij.
Naar Pieter.
Toen schudde hij langzaam zijn hoofd.
“Niet… hem.”
Pieter bleef in de deuropening staan.
Ik pakte Richards hand.
“Wat moet ik weten?”
Zijn ogen vulden zich met tranen.
“Je vader…”
“Ik weet dat hij u kende.”
Richard kneep zwak in mijn hand.
“Hij… heeft je gered.”
Ik fronste.
“Waarvan?”
Zijn ademhaling werd zwaarder.
“Die nacht…”
“Welke nacht?”
Hij probeerde zich op te richten, maar Maarten legde voorzichtig een hand op zijn schouder.
“Rustig blijven.”
Richard keek mij opnieuw aan.
“Rotterdam… haven…”
Mijn hart begon sneller te slaan.
Mijn vader had inderdaad in de Rotterdamse haven gewerkt.
Maar ik had nooit geweten waarom hij daar was geweest op de avond waar Richard over sprak.
“Wat gebeurde daar?”
Richard sloot zijn ogen.
“Een auto.”
“Welke auto?”
“Een zwarte Mercedes.”
Pieter kwam een stap dichterbij.
Richard zag hem.
Zijn gezicht veranderde.
“Jij… wist het.”
Pieter verstijfde.
“Papa…”
“Jij wist… wie ze waren.”
“Wie?”
Richard probeerde zijn hoofd te bewegen.
“De mensen… die je moeder hebben meegenomen.”
De kamer werd doodstil.
Ik keek naar Pieter.
“Zijn moeder?”
Pieter antwoordde niet.
Ik voelde een koude druk op mijn borst.
“Welke moeder?”
Richard opende zijn ogen.
Hij keek rechtstreeks naar mij.
“Jouw moeder.”
Ik liet zijn hand bijna los.
“Mijn moeder?”
Richard knikte.
“Ze hebben haar meegenomen… omdat ze de waarheid kende.”
Ik hoorde mijn eigen ademhaling.
Mijn moeder was twaalf jaar geleden overleden.
Een gewone dood, had iedereen gezegd.
Een hartstilstand.
Thuis.
Zonder geheimen.
Zonder vijanden.
Maar Richard keek naar mij alsof hij zojuist had verteld dat mijn hele jeugd gebaseerd was op een leugen.
“Wat kende ze?”
Hij probeerde te antwoorden.
Toen ging plotseling het alarm van zijn monitor harder.
Maarten en twee verpleegkundigen kwamen naar binnen.
“Zijn bloeddruk zakt.”
Ik werd naar achteren geleid.
“Richard!”
Hij greep nog één keer mijn hand.
Zijn vingers sloten zich verrassend stevig om de mijne.
“De… brief…”
“Welke brief?”
“Je moeder…”
Zijn ogen sloten.
“Niet… vernietigen…”
Daarna zakte zijn hand terug op het laken.
“Richard!”
Maarten controleerde onmiddellijk zijn toestand.
Ik stond verstijfd naast het bed.
Pieter kwam naast me staan.
“Althea…”
Ik draaide me naar hem om.
“Je moeder.”
Hij knikte langzaam.
“Mijn moeder is twintig jaar geleden verdwenen.”
“Je zei dat ze overleden was.”
“Ik dacht dat ze dood was.”
“Wanneer hoorde je dat?”
“Toen ik zeventien was.”
“Wie heeft het je verteld?”
“Mijn vader.”
Ik keek naar Richard.
Toen naar Pieter.
“Dus jouw vader vertelde jou dat je moeder dood was.”
“Ja.”
“En nu zegt hij dat mijn moeder werd meegenomen.”
Pieter knikte.
“Maar waarom?”
Ik zag iets in zijn gezicht wat ik nog nooit eerder had gezien.
Pure angst.
“Er is nog iets.”
“Wat?”
Hij keek naar de deur voordat hij fluisterde:
“Mijn moeder en jouw moeder waren die nacht samen in de haven.”
Mijn hart stopte bijna.
“Waarom?”
Pieter haalde diep adem.
“Omdat ze samen iemand probeerden te redden.”
“Wie?”
Hij antwoordde niet.
In plaats daarvan haalde hij zijn telefoon uit zijn zak.
“Dit kreeg ik drie maanden geleden anoniem toegestuurd.”
Hij liet me een foto zien.
Een oude, korrelige foto van twee vrouwen bij een havenloods.
Mijn moeder.
En zijn moeder.
Tussen hen in stond een klein kind.
Ik keek langer.
Toen herkende ik het kind.
Mijn eigen gezicht, bijna zevenentwintig jaar jonger.
En op de achtergrond stond een derde persoon.
Mijn vader.
Met zijn hand op de schouder van een jongen die ik onmiddellijk herkende.
Pieter.