Mijn Verloofde Trouwde Stiekem Met Mijn Beste Vriendin — Drie Dagen Later Ontdekte Ik Waarom Hij Mij Wilde Beschermen

Ik keek naar de foto tot mijn ogen begonnen te branden. Het kind tussen de twee vrouwen was onmiskenbaar ik. Niet omdat ik mezelf herkende uit mijn geheugen, maar omdat ik dezelfde kleine zilveren armband om mijn pols droeg die mijn moeder mij volgens haar altijd had gegeven op mijn derde verjaardag. Alleen klopte er iets niet. De foto was genomen voordat ik drie was.

“Waar heb je deze foto vandaan?”

“Een envelop zonder afzender. Geen brief. Alleen deze foto.”

“Wanneer?”

“Drie maanden geleden.”

“En je hebt toen niets tegen mij gezegd?”

Pieter slikte.

“Ik wist niet wie ik kon vertrouwen.”

“Maar je trouwde wel met Charlotte.”

“Dat was onderdeel van wat mijn vader wilde.”

Ik keek hem aan.

“Je blijft dat zeggen alsof je geen eigen keuzes hebt gemaakt.”

“Ik heb geprobeerd je buiten dit alles te houden.”

“Door achter mijn rug om te trouwen?”

Zijn gezicht verstrakte.

“Als ik niet met Charlotte was getrouwd, zou jij misschien het volgende doelwit zijn geworden.”

Ik wilde hem antwoorden, maar Maarten kwam uit Richards kamer. Zijn gezicht was vermoeid.

“Richard is weer stabiel. Maar hij mag niet lang praten.”

Ik keek naar Pieter.

“Dan gaan we hem één vraag tegelijk stellen.”

“Althea,” zei Maarten, “er is nog iets.”

Hij keek naar de foto in mijn hand.

“Waar heb je die vandaan?”

Pieter gaf geen antwoord.

Maarten keek ernaar en trok zijn wenkbrauwen samen.

“Ik heb deze foto eerder gezien.”

Mijn hart sloeg over.

“Waar?”

“Bij Richard.”

“Wanneer?”

“Vanochtend. Hij had hem onder zijn kussen.”

Ik voelde een koude rilling door mijn lichaam gaan.

“Waarom heeft hij hem niet aan mij gegeven?”

“Omdat hij niet wilde dat Pieter erbij was.”

Ik keek naar Pieter.

“Ga weg.”

“Althea…”

“Als Richard mij iets moet vertellen over mijn moeder, mijn vader en die nacht in de haven, wil ik dat doen zonder jou.”

Pieter wilde protesteren, maar Maarten legde een hand op zijn schouder.

“Laat haar.”

Pieter keek me enkele seconden aan.

“Ik ga nergens heen.”

“Dat is jouw keuze.”

Ik liep terug naar Richards kamer.

Hij was wakker.

Zijn ogen vonden me onmiddellijk.

“Pieter?”

“Buiten.”

Richard knikte opgelucht.

Ik ging naast zijn bed zitten.

“U zei dat mijn moeder die nacht iets probeerde te redden.”

Zijn ademhaling was zwaar.

“Niet iets.”

Hij stopte om adem te halen.

“Iemand.”

“Wie?”

Hij keek naar de deur.

“Een baby.”

Mijn hart begon te bonzen.

“Welke baby?”

Hij kneep zijn ogen dicht.

“Jij.”

Ik voelde mijn maag samentrekken.

“Ik was daar?”

“Ja.”

“Maar waarom?”

Richard keek naar mij alsof hij niet wist hoe hij het moest zeggen.

“Je was niet alleen.”

Ik boog me naar hem toe.

“Wat betekent dat?”

“Er waren twee kinderen.”

De kamer leek plotseling kleiner te worden.

“Twee?”

Hij knikte.

“Een jongen en een meisje.”

Ik dacht aan de foto.

Aan mezelf.

Aan Pieter als kind.

“Was die jongen Pieter?”

Richard keek weg.

“Ja.”

Ik voelde mijn adem stokken.

“Waarom waren wij samen in die haven?”

“Onze ouders probeerden jullie weg te brengen.”

“Waarheen?”

“Buiten Rotterdam.”

“Waarom?”

Richard begon te trillen.

“Er was geld verdwenen.”

“Welk geld?”

“Geld van een bedrijf.”

Ik wachtte.

“Mijn vader?”

Richard knikte.

“Jouw vader ontdekte dat het geld niet gestolen was.”

“Wat dan?”

“Het was verplaatst.”

“Door wie?”

Hij sloot zijn ogen.

“Door Charlotte.”

Ik verstijfde.

“Charlotte?”

Richard knikte langzaam.

“Niet zij alleen.”

Mijn gedachten raasden.

Charlotte was toen een kind geweest.

Onmogelijk.

“U bedoelt haar familie.”

“Ja.”

“Waarom zou haar familie geld verplaatsen?”

Richard probeerde te antwoorden, maar zijn ademhaling werd weer onrustig.

Ik drukte op de bel.

“Rustig.”

Hij greep mijn hand.

“De brief.”

“Welke brief?”

“Je moeder schreef hem voor jou.”

“Waar is hij?”

“Bij Pieter.”

Mijn hart zakte.

“Waarom zou Pieter die brief hebben?”

Richard keek me aan.

“Omdat zijn moeder hem aan mijn zoon gaf.”

“Wanneer?”

“Op de dag dat ze verdwenen.”

Ik kon nauwelijks spreken.

“Dus Pieter heeft een brief van mijn moeder?”

Richard knikte.

“Maar hij weet niet wat erin staat.”

Ik stond op.

“Waar is die brief?”

Richard fluisterde iets wat ik nauwelijks kon verstaan.

“Niet bij hem.”

“Waar dan?”

“Charlotte.”

Ik bevroor.

Op hetzelfde moment ging mijn telefoon.

Een onbekend nummer.

Ik nam op.

“Met Althea.”

Er klonk een vrouw aan de andere kant.

Haar stem was laag en nerveus.

“Luister goed. Ga niet naar Charlotte.”

Ik keek naar de deur.

“Wie bent u?”

“Dat doet er niet toe.”

“Hoe kent u mijn naam?”

Een korte stilte.

“Omdat ik erbij was die nacht.”

Mijn hart begon te bonzen.

“Wie bent u?”

“De vrouw die je moeder hielp ontsnappen.”

Ik voelde mijn vingers trillen.

“Mijn moeder is niet overleden?”

“Dat heb ik niet gezegd.”

“Waar is ze dan?”

De vrouw ademde scherp in.

“Ik kan je maar één ding vertellen.”

“Wat?”

“De man die Pieter vertrouwt, is niet degene die je moet vrezen.”

“Wie dan?”

Ze antwoordde fluisterend:

“De vrouw die morgen bij Richard aan zijn bed zal staan.”

De verbinding werd verbroken.

Ik keek langzaam naar de deur.

Charlotte stond daar.

Ze had alles gehoord.