‘Zeker. Maar het kind verandert ondertussen ook.’
Daar had ik geen goed antwoord op.
Die avond heb ik voor het eerst in jaren de naam van mijn vader opgezocht. Mijn moeder had zijn nummer nog. Ik heb haar 4 keer gevraagd of ze zeker wist dat het nog klopte. Uiteindelijk belde ik hem om 21:40.
Hij nam op met alleen zijn achternaam. Ik zei: ‘Met Jesse.’
Er bleef een paar seconden niks komen. Toen vroeg hij of alles goed met me was.
Ik had bedacht dat ik hem direct zou vragen waarom hij me had laten zitten. In plaats daarvan zei ik dat Noor zwanger was.
Hij feliciteerde me. Ik zei dat hij daar misschien even mee moest wachten.
We hebben bijna 40 minuten gepraat. Het was geen mooi gesprek. Hij wist niet eens precies welke opleiding ik deed. Ik wist niet dat hij tegenwoordig in Deventer woonde. Hij vroeg of ik nog voetbalde. Ik heb sinds mijn 17e geen bal meer aangeraakt.
Toen vertelde ik wat ik van plan was.
Hij zei eerst niks. Daarna vroeg hij: ‘Wil je mijn mening of bel je omdat je wilt weten hoe het voor mij ging?’
‘Allebei, denk ik.’
Hij zuchtte. ‘Het ging vooral snel. Iedereen dacht dat ik na een paar maanden vanzelf volwassen zou worden. Dat gebeurde niet.’
Hij zei dat hij in het begin oprecht dacht dat afstand tijdelijk kon zijn. Eerst een paar maanden. Dan een jaar. Ondertussen zou hij sparen, een betere baan zoeken, uitzoeken wat hij met zijn leven wilde. Iedere keer dat hij zich schaamde omdat hij alweer te laat was, wachtte hij nog langer.
Ik vroeg of mijn moeder hem had tegengehouden.
‘Soms,’ zei hij. ‘En soms was dat een heel handige reden voor mij om niet harder te proberen.’
Dat antwoord vond ik irritant omdat ik hem moeilijk kon aanvallen zonder mezelf erbij te horen.
Hij vroeg hoe ver Noor was. Ik zei 18 weken.
‘Dan heb je nog tijd om na te denken,’ zei hij. ‘Maar niet zo veel als je denkt.’
Meer advies gaf hij niet. Hij zei ook niet dat ik een monster was. Eerlijk gezegd had ik dat makkelijker gevonden.
De volgende ochtend stuurde Noor dat ze een afspraak had voor de 20-wekenecho en dat ik mee mocht als ik wilde. Ze zette erbij: `Je hoeft niet. Ik wil alleen niet achteraf horen dat ik je geen kans heb gegeven.`
Ik heb bijna een uur naar dat bericht gekeken. Daarna zei ik dat ik meeging.
In de wachtkamer voelde ik me belachelijk. Er zaten stellen die samen kinderwagens op hun telefoon bekeken. Een man naast mij hield de jas van zijn vriendin vast en had een lijst met namen open. Noor en ik zaten met een lege stoel tussen ons in.
Tijdens de echo vroeg de echoscopist of we het geslacht wilden weten. Noor keek naar mij. Ik zei dat zij mocht kiezen. Zij zei dat ze het wilde weten. Het wordt een jongen.
Ik voelde geen filmgevoel. Geen golf van liefde, geen plotselinge klik. Mijn eerste gedachte was zelfs dat mijn moeder gelijk had gehad over die korte versie van verhalen. Als ik ooit wegga, krijgt mijn zoon later waarschijnlijk ook een korte versie over mij.
Buiten vroeg Noor of ik koffie wilde. We gingen naar een zaakje aan de overkant van het ziekenhuis. Zij nam thee omdat ze al misselijk was. Ik zei dat ik niet ineens van plan was mijn traineeship af te zeggen omdat ik 20 minuten naar een scherm had gekeken.
‘Dat vraag ik ook niet,’ zei ze.
Ik zei dat ik misschien wel betrokken wilde zijn, maar dat ik niet wist hoeveel. Misschien 1 vaste dag. Misschien om het weekend. Hamburg was tijdelijk. We zouden iets kunnen opbouwen zonder te doen alsof we meteen een perfect gezin moesten zijn.
Noor wreef met haar duim over de rand van haar glas. ‘En wat wil je van mij?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Moet ik 9 maanden op je wachten terwijl jij kijkt hoeveel vader zijn je bevalt? Moet ik hier blijven wonen omdat jij misschien terugkomt? Mag ik iemand anders leren kennen? Verwacht je dat ik elk weekend vrijhoud als jij opeens naar Nederland kunt?’
Ik zei dat ze nu wel erg ver vooruit liep.